Blog - Netwerksamenleving

Over onze omgeving, co-creatieve gebiedsontwikkeling, leegstand, locatiemarketing en de netwerksamenleving. Ook frustratieinspiratie.

De stad is polygaam

Niemand durft Eindhoven PSV af te nemen. Deze club is van de stad en andersom is Eindhoven ook van PSV. Voor het lichtfestival GLOW, dat jaarlijks door heel de stad plaatsvindt, gelden dezelfde spelregels. De stad deelt haar voorzieningen en organisaties als vanzelfsprekend met haar bewoners en bezoekers.  Wie gebruik maakt van de stad bezit al dan niet tijdelijk een stukje stad. Wie ontvangt, dient echter ook te geven, want de stad is polygaam.


© Photo: Norbert van Onna /  www.onna.nl

Bewoners en bezoekers schenken de stad hun geld, talent, tijd en aandacht. Maar niet alle mensen blijken zo vanzelfsprekend vrijgevig als de stad. Men verzon gemeentelijke belastingen om de stad gezamenlijk terug te geven wat ze verdiende. Maar voelen wij nog compassie voor de stad bij het betalen van belastinggeld? Of zouden wij ons belastinggeld op een andere, creatievere manier kunnen betalen, die de verbondenheid tussen ons en de stad juist versterkt?

Bezit
Voorheen waren het de grote bedrijven, zoals Philips in Eindhoven, die in het bezit waren van de stad. Andersom bezaten zij de stad. Niet alleen door de fabrieken en woonwijken die zij bouwden, maar ook door de werkgelegenheid die zij boden en de bewoners die zij hiermee aantrokken. Dit bleef zo totdat de economie veranderde van de industriële maakeconomie naar de creatieve belevingseconomie. Grote bedrijven zijn door de verschuiving van de economie en de opkomst van het Internet niet meer gebonden aan één plek. Philips verplaatste haar hoofdkantoor dan ook naar Amsterdam. Het bedrijf liet wel een stempel achter in de stad. Dankzij Philips is Eindhoven een lichtstad en een designstad en zowel het lichtfestival GLOW als de designweek zijn erg populair. Juist op plekken zoals het voormalig bedrijventerrein van Philips: Strijp-S. Deze plek is omgevormd tot broedplaats en ontwikkelt zich naar een nieuw stadsdeel. Organisaties uit de creatieve economie nemen langzaamaan het bezit van de grote bedrijven over.

Het individu, de bewoner of bezoeker van de stad, kan binnen de creatieve economie tijdelijk een deel van de stad bezitten door een bijdrage te leveren als toeschouwer of als deelnemer. Wie veel van zijn stad wil bezitten moet dus veel doen en bijwonen. Hoe meer je investeert, hoe meer je verdient. Onze activiteiten worden bepaald door werk, studie, interesses en hobby’s. Omdat dit voor iedereen verschillend is, heeft iedereen zijn of haar eigen parcours door de stad. Het parcours van het individu is ook divers, want niet alleen de stad, ook haar bewoners en bezoekers zijn polygaam.

Globale en lokale wederkerigheid 
Maar hoe onderhoud je een dergelijke polygame relatie? De stad stelt zich ondergeschikt aan de mens en haar ruimte is voor eenieder die deze claimt. De gemeente heeft de regie over haar genomen en is opgestaan als bemiddelingsbureau tussen mens en stad. Zij bezit de stad niet, maar regeert haar. Sommige plekken zijn aangesteld om vrij te gebruiken; de zogenaamde openbare ruimte. Zij is van en voor iedereen. Om deze plekken, die zo veelvuldig gebruikt worden, te onderhouden heeft de regeerder ‘gemeentelijke belastingen’ opgesteld. Een geldbedrag dat iedereen betaalt, opdat we iets terug kunnen geven aan de stad die wij zo intens gebruiken.

In het boek Voor wat hoort wat (2011) van Patrick Janssens (burgemeester van Antwerpen) spreekt Frank Vandenbroucke (Vlaamse politicus) over de anonimiteit van de ‘gesystematiseerde wederkerigheid’: het belastingstelsel. Doordat wij, belastingbetalers, niet weten waar ons geld heen gaat, krijgen wij argwaan. We worden bang: wordt ons geld wel juist besteed? Frank Vandenbroucke pleit voor meer zichtbaarheid van deze wederkerigheid. Dit vertaalde hij naar de uitkering. Wanneer je een uitkering ontvangt moet je bijvoorbeeld bereid zijn om te werken binnen het sociale systeem.

Zelforganisatie
Ik zou dit graag nog iets verder de stad in trekken. Wat nu als over vijftig procent van ons belastinggeld gekozen kan worden of het in geld of in diensten betaald wordt? De vijftig procent die sowieso betaald wordt is dan voor globale investeringen. Ik schets u mijn utopie: iedereen in de wereld heeft recht op ziekenhuiszorg, water, veiligheid, elektriciteit, internet, infrastructuur en natuur. Dit zijn de basisvoorzieningen. Daartegenover staat dat de overige vijftig procent in geld óf in werktijd kan worden  betaald aan openbare voorzieningen en plekken. Lokale veiligheid, de productie van eten, kennis en cultuur en het onderhoud van de omgeving. Deze lokale diensten worden dan door de inwoners van de stad zelf ingevuld. De inwoners bezitten de openbare voorzieningen en plekken gezamenlijk. De stad is hierdoor van iedereen die eraan bijdraagt.

Dergelijke lokale systemen bestaan, maar komen nog niet massaal van de grond. Er is ook geen noodzaak om onszelf te organiseren voor deze taken; het wordt immers al voor ons gedaan. Misschien niet heel goed, maar weten wij beter? Dat het beter kan bewijst onder andere de ‘Tuinman in de wijk’. Dit is een initiatief uit Rotterdam dat is opgezet door een huisarts en zijn vrouw. Hun doel was om fysieke en psychische klachten die ontstaan door eenzaamheid en te weinig beweging te voorkomen door te zorgen voor meer interactie in de wijk. Na enige tijd bleek hun aanpak erg goed te werken. Daarbij bespaarden zij stadswerken geld en inmiddels zijn ze zo hard gegroeid dat zij een opleiding voor Tuinmannen (m/v) aanbieden.

Professionele burger
De structuur voor een zelforganiserende samenleving, een samenleving waarin de stad zichtbaar in het bezit is van wie haar iets geeft, ligt er al. We noemen het misschien liefdadigheid, maar tuinmannen leveren niet alleen een sterkere samenleving op, het initiatief bespaart de gemeente ook nog eens geld. Het systeem erachter lijkt alleen ongrijpbaar waardoor het eng is om onze samenleving structureel te organiseren via actieve bewoners. De geïnstitutionaliseerde overheid waarbinnen afdelingen opgedeeld zijn in subafdelingen en subafdelingen gemanaged worden door enkele ambtenaren, met erg veel macht, is hierbij niet meer nodig. De gemeentelijke belastingen die hier van boven naar beneden doorstromen en door het stromen alleen al vermageren, zijn evenmin nodig. Wat nodig is, is mankracht, heldere communicatie en goed coördinatorschap.

Waarom houden overheden krampachtig grip op alle afdelingen met subafdelingen? Waarom laten zij organisaties zoals de Tuinman in de Wijk niet als zwaartepunten liggen in het geheel? Laat culturele organisaties,  tuinmannen, universiteiten en sportverenigingen een netwerk zijn dat het roer over neemt. Geef hen mankracht en geld in ruil voor de diensten die zij teruggeven aan de openbare voorzieningen en plekken in de stad. Dit netwerk van voorzieningen creëert lokaal een eigen draagvlak. Burgers bewegen zich op hun eigen parcours tussen de voorzieningen en geven hun geld en tijd uit bij deze organisaties, middelen die via de voorzieningen teruggegeven kunnen worden aan de stad. Geen ambtenaar op afstand, maar actieve  burgers ter plekke. Burgers die een relatie hebben met de stad.

De stad is binnen de creatieve economie in het bezit van eenieder die een wederkerige relatie heeft met haar. De stad is een netwerk met heel veel relaties, met heel veel verschillende burgers en organisaties op heel veel verschillende plekken tegelijk. De stad is polygaam. En terecht.

NB momenteel ben ik bezig met een onderzoeksvoorstel waarin ik met enkelen wetenschappers (hiervoor heb ik gesproken met het Verwey Jonker instituut en bestuurskundige Ernst Berens) onderzoek wil doen naar de mogelijkheden van een zelforganiserende stad. Deze blog is één van de aanleidingen.

Deze blog verscheen eerder op www.ruimtevolk.nl

Talent als magneet voor een locatie

De kenniseconomie en globalisering lijken ons richting een meritocratie te leiden: een maatschappijmodel waarbij hetgeen jij doet bepalend is voor ‘waar jij staat’ in de samenleving. Een goede opleiding en ondernemend zijn is daarbij belangrijk voor je positie. Dit is volgens mij een te individualistische focus. We zouden meer op netwerken: op de kracht van samenwerken moeten focussen met talenten als middelpunt. Ontwikkelaars kunnen talent als aantrekkingskracht inzetten in onze omgeving.

Want wat zegt opleidingsniveau eigenlijk over ons en ons succes? Een timmerman kan door jaren ervaring en zijn talent een geweldige timmerman zijn. Een getalenteerde en gedisciplineerde danser kan choreografieën begrijpen en deze prachtig uitvoeren. Dat de timmerman en de danser ook kunnen lezen en schrijven doet er niet eens toe.

 

Ondernemend zijn talenten ook niet per definitie. Wie geld verdient met talent trekt ondernemend management aan met dezelfde passie. Talenten die geen geld kunnen verdienen zijn niet getalenteerd genoeg, ofzo. Via subsidies kunnen deze talenten zich soms alsnog bewijzen, maar door bezuinigingen zijn de kansen aanzienlijk verlaagd. Steeds meer talent zoekt zijn weg naar een sponsor. Wie sponsoring wil, moet ook enig ondernemerschap tonen want de concurrentie is groot.

Waar werk is, zijn mensen. Mensen verhuizen wereldwijd massaal naar de stad omdat daar meer kans is op werk dan op het platteland. Wat betekent dit voor talenten? Waar vestigen zij zich? Waar is het werk en geld voor hen?

Gebiedsontwikkeling heeft baat bij een talentennetwerk
Dat talenten magneten zijn is bekend. De reclamewereld maakt er veel gebruik van door beroemdheden (ontdekte en ondernemende talenten) te gebruiken als gezicht van een merk en ook in onze omgeving zien we dat talent invloed heeft op een plek. Amsterdam is een magneet voor kunstenaars en applicatieontwikkelaars. De stad heeft een groot aantal broedplaatsen en mag de bijnaam Appsterdam dragen dankzij Mike Lee. Pop- en rocktalenten weten ook waar zij moeten zijn in Nederland: Den Haag staat bekend als popstad dankzij een combinatie van talenten. Denk hierbij aan The golden earring, Shocking blue en Anouk. Een combinatie van talenten is het meest veilig, omdat de één de ander op kan vangen.

Één talent kan wel bepalend zijn en als katalysator van het talentennetwerk gelden. In Utrecht hebben we de Anton Geesinkstraat in de wijk Ondiep, vernoemt naar de judoka die boven zijn judoschool woonde. Deze judoschool zit er nog steeds en de meeste vechtsportscholen (en de enige winkel voor vechtsportartikelen) zitten in aangrenzende wijken zoals Zuilen, de wijk die naast Ondiep is gebouwd. Vorig jaar is Kyteman het muzikantenlaboratorium ‘Kytopia’ gestart waar hij en zijn management allerlei talent om zich heen hebben verzameld. Hier kunnen de muzikanten wonen, (co)creëren en (net)werken. De kans dat hierdoor de identiteit van Kyteman nog lang zal bestaan op deze plek is groot.

Ruimte voor talent
Ik pleit voor ruimte voor talent in iedere gebiedsontwikkeling en ik zie het als kans voor vastgoedontwikkelingen. Een betaalbare ruimte voor getalenteerden in hun eigen buurt of in een buurt die bij hen past, kan een magneet vormen voor een talentennetwerk. Talenten brengen mensen met zich mee die hun passie delen. Zij creëren ontmoetingen en kunnen daarom het beste zitten op de plekken die normaliter het meeste opleveren. De hoeken tussen de straten, (op de hoeken van) de begane grond van een complex en het plein rondom de kerk. Er staan genoeg  van dit soort locaties leeg, ook in de stad.

Hebben de vastgoedeigenaren, tijdelijk beheerders en (her)ontwikkelaars het lef om juist op deze plekken ruimte te maken voor talent? Het is een investering die zichzelf op pand- en gebiedsniveau terugbetaalt. Maar zekerheid is er niet bij geboden. Want heb je het beste talent? Komt er echt een netwerk? Is het netwerk divers genoeg?

De buurt als netwerk
Deze vragen stel ik mij, als locatiemarketeer, heel vaak af. Daarom ontwikkel ik een marketingmethode waarmee een netwerk van gebruikers een buurt vermarkt: Connected Identity. De methode is nog niet af, maar is al in te zetten en vordert snel. Mijn doel? Iedereen ervan overtuigen dat locatiemarketing niet meer zoiets is als directe reclame en branding. In de netwerksamenleving vormt het gebruikersnetwerk een stabiele magneet voor een buurt of locatie. En dit zij verdienen hiervoor een prominente en betaalbare plek.

 

Zelforganisatie in de stad

Het informatietijdperk drijft ons tot een netwerksamenleving. Een samenleving die ons meer ruimte biedt voor zelforganisatie. Dankzij het internet (ontstaan in dit tijdperk) kunnen we immers gemakkelijker gelijkgestemden vinden waardoor we minder afhankelijk zijn van instituties en overheden. Ik vraag me af wat deze zelforganisatie betekent voor de stad. Op zoek naar een antwoord sprak ik met Hans Boutellier, schrijver van het boek De improvisatiemaatschappij, Wiebe de Ridder, marktonderzoeker wonen en vastgoed en Alex Sievers,  adviseur en ontwikkelaar van het leefstijlenmodel Soulife.

Zien we echt meer zelforganisatie?
Volgens Sievers wel. ´We kunnen niet anders.´ zegt hij. ´Het geld is op dus we moeten het wel zelf doen.´ De Ridder is sceptisch en voegt toe dat men wel bereidwillig moet zijn om zelf te organiseren. Onze samenleving is nu nog ingericht op ‘de overheid doet alles voor je en hiervoor lever jij geld en vrijheid in’. Het gros van de mensen wil daarom een vergoeding voor hun bijdrage (want zo voelt het) voor de samenleving. Hij ziet toekomst in actief burgerschap waarbij men meer onbetaald werk doet zoals ruildiensten. Sievers beaamt dit in zijn blog over actief burgerschap en cocreatie.

Hoe werkt zelforganisatie in de stad?
Zelforganisatie is geordender dan het lijkt. In het boek De improvisatiemaatschappij beschrijft Boutellier dat ordening ontstaat door incidenten, initiatieven en zwaartepunten. Vertaalt naar zelfontwikkeling in de stad zijn incidenten bijvoorbeeld ‘kinderen die voetballen op een lege kavel’. Een voetbalteam dat er iedere zaterdag toernooitjes te houdt en de ijscokraam die zijn kans schoon ziet, zijn de initiatieven: hetgeen zich om het incident heen verzamelt. De voetbalvereniging die een professioneel voetbalveld realiseert op deze plek is het zwaartepunt: de hub waar alles samenkomt. Wanneer men meer programmatische ordening wil, moeten er opnieuw organisaties met een kernfunctie ontstaan. In dit geval kunnen we denken aan een met gebruikers nieuw soort ontwikkelaar/corporatie, eentje die samenwerkt met bewoners: de coöperatieve ontwikkelaar en beheerder.

Is zelforganisatie voor iedereen weggelegd?
Iedere groep in de samenleving wordt op een andere manier gemotiveerd om mee te doen aan zelforganisatie en -ontwikkeling. Sievers en De Ridder zijn er van overtuigt dat wanneer we de focus leggen op de behoeften van de mensen, we ook kunnen begrijpen wanneer zij inzet zullen tonen en wat daar tegenover moet staan.

Vergroot je met zelforganisatie ook de verloren binding met de buurt?
Binding met de buurt is volgens Boutellier nog nooit weg geweest. In de jaren ’80 verklaarde het toenmalige tijdschrift Marge de buurt dood. Het tegendeel bleek waar. De buurt was en is een belangrijke eenheid waaraan mensen juist hun identiteit ontlenen. ‘Het herbergt het lichaam. Net zoals je huis.’ Zegt Boutellier. Hoewel het informatietijdperk ons veel diversiteit toont, waardoor het gemakkelijker is om een identiteit te ontplooien die niet plaatsgebonden is, zien we toch dat er een bepaalde coherentie nodig is. Een verankering op een plek. Een deel van de identiteit van de mens is wel divers en flexibel. Deze is bijvoorbeeld afhankelijk van de levensfase. Hierom zou het netwerk dat een individu kiest te gebruiken in zijn omgeving flexibel moeten zijn.

De coöperatieve ontwikkelaar
Er zijn wat mij betreft twee aannemelijke conclusies te trekken. Één: we zullen geen samenleving krijgen waarin zelforganisatie die spontaan ontstaat de norm wordt. Twee: de coöperatieve ontwikkelaar en beheerder zal de huidige ontwikkelaars en corporaties vervangen. Hij biedt een draagvlak voor zelforganisatie in de stad. Deze buurtgebonden ontwikkelaar zorgt ervoor dat het individu flexibel kan blijven. Mensen kunnen in- en uitstappen en krijgen een kader waarbinnen zij zich organiseren en zelf (samen) ontwikkelen.

Een voorbeeld van coöperatieve beheerder is Bureau Creatief beheer van Rini Biemans en Karin Keijzer. Zij onderhouden parken en wijken samen met de buurt. Een coöperatieve ontwikkelaar is bijvoorbeeld 4winden. 4Winden organiseert zelfbouw in collectieven van gelijkgestemden.

 

Dit artikel is nog mooier op Urban Signature.

Cultuurmodel: de buurt als netwerk

Diverse culturen kunnen wel samenleven (langs of met elkaar), doelgroepen zijn niet mijn focus en goede locatiemarketing is niet het best gebrande stukje stad. Vind ik, en daarom bedacht ik de methode Connected identity. Deze benadert een plek vanuit de bestaande mensen en de bestaande omgeving en ziet de buurt als een netwerk dat zichzelf vermarkt. Door acties die ontmoetingen veroorzaken en met wat sturing van de Connected identity marketeer.

Culturen in de buurt verbinden
De samenleving die ooit solide was, is versnipperd geraakt. Normen en waarden lijken te verdwijnen. Onze buurten zijn hun hart, hun identiteit verloren of aan het verliezen. Er is geen visie die overheden en burgers delen en de sociale controle en cohesie mist op diverse plekken in ons land. ‘Ieder voor zich’ is de norm die is ontstaan uit de versnippering.

De versnippering is een gevolg van de individualisering die nu op zijn retour is. We zijn op weg naar een netwerksamenleving en ik geloof dat deze samenleving kansen biedt voor een nieuwe samenhang: een samenhang op basis van passies en urgenties. Ik wil de buurt hun hart teruggeven, of een netwerk van meerdere harten. Door het een plek te bieden waar pioniers (ondernemers) zich graag vestigen en waar talent zich ontwikkelt met behulp van professionals.

Géén ouderwetse doelgroepen
Ik zie mensen als individuen met een vaste en een flexibele identiteit. De vaste identiteit (in werkelijkheid semi-flexibel) is wie we zijn: afkomst, cultuur, levensfase, geslacht, geaardheid et cetera. De flexibele identiteit is wat we doen: studie, werk, hobby’s, sport enzovoort. De identiteiten van de buurt zijn gelieerd aan de flexibele kant van de identiteit van de mens. Ik benader een locatie daarom nooit op ‘Marrokaanse buurt’ of ‘omgeving voor ouderen’, maar op ‘groene vingers’ of ‘sportief’.

Het centrum van de buurt is de ‘kerk’
Mijn benadering betekent niet dat een buurt maar één identiteit kan hebben, zoals een stad dat vaak poogt met citymarketing. Een netwerk met meer dan één identiteit biedt diversiteit in een buurt. Individuen kiezen hun eigen parcour door dit netwerk en door de stad. Zij kiezen welk DNA zij gebruiken en kunnen hierdoor verbonden zijn aan verschillende identiteiten en verschillende buurten.

De kerk was vroeger het hart van de buurt: de hoeksteen van de samenleving die symbool stond voor de normen en waarden van de hele samenleving. Nu leven we niet meer in een solide samenleving met één geloof, maar in een netwerksamenleving met diverse normen en waarden. Zoals vroeger ieder dorp en iedere stad om de kerk heen gebouwd was, zo kan nu iedere plek zijn eigen type kerk hebben. Bijvoorbeeld een kenniskerk. Maar ook dingen als ‘cultuur’ of ‘sport’ kunnen een identiteit vormen. Er hangen verschillende leefstijlen om deze identiteiten heen en we kunnen ook kennis én cultuur én sport aanhangen. Daarom kan één buurt divers DNA hebben. Het aanwezige DNA wordt zichtbaar zodra er interactie is tussen de genen waarin het DNA zich bevindt (tussen de mensen die ‘cultuur’ of ‘sport’ aanhangen).

Plekken vermarkten zichzelf
Diverse identiteiten kunnen een plek of een buurt weldegelijk vermarkten. De samenleving is net als de buurt één groot netwerk van diverse knooppunten en identiteiten. De ontmoetingen die plaatsvinden in de buurt zorgen voor rumoer. Het zijn de pioniers (op zichzelf of gezamenlijk) op deze plekken die de ontmoetingen veroorzaken. Daarmee is het hun belang en verantwoordelijkheid om een positief verhaal de wereld in te helpen. De verhalen en de mensen maken de plekken en daardoor vermarkten zij zichzelf.

De Connected identity marketeer coördineert programma en plek
Als Connected identity marketeer ken ik het DNA van- en de pioniers in de buurt waar ik werk. Ik zoek naar overlappingen: plekken waar de identiteiten samen komen. Bijvoorbeeld het park waar zowel de bejaarden als de kinderen in moestuintjes werken, waar de studenten en gezinnen recreëren en barbecuen en waar bijvoorbeeld basketballers en voetballers een plek hebben om te spelen.

Op de plekken waar overlapping plaatsvindt faciliteer ik het programma van de pioniers die ontmoetingen veroorzaken. Ontmoetingen zorgen er op den duur voor dat de locatie een plek krijgt op de ‘mental map’ van de mensen uit de buurt en daarbuiten. Vanaf hier geef ik mijn werk over aan bijvoorbeeld een buurtmanager.

Cultuurmodel Connected identity
Om uit te leggen hoe ik de identiteiten in een buurt zoek en daarmee harten vorm heb ik het cultuurmodel Connected identity ontwikkeld. Het cultuurmodel is ontstaan vanuit het Ui-model van Sanders en Nuijen. Een model dat ik tijdens het vak ‘organisatiekunde’ heb leren kennen. Ik heb het model vertaald naar de buurt. Ik zie de buurt als netwerkorganisatie. Het netwerk verspreidt zich vanuit de kernen in de buurt over de hele samenleving. Door ook de SWOT-analyse erin te verwerken analyseer je met het model de ziel van de plek en de ‘cultuur’ van de mensen én vind je een toekomstvisie voor de plek vanuit de bestaande kwaliteiten en missende kwaliteiten.

Ik werk voor de ontwikkelende partij (een ontwikkelaar, overheid, corporatie of zelfstandige organisatie). Via het model en in samenwerking met (communicatie-)experts vind ik de juiste (communicatie)middelen die het programma zelforganiserend laten worden. Deze middelen bestaan uit online en offline ‘plekken’ waar (nieuwe) mensen terecht kunnen om verbonden te worden aan het huidige programma en de mensen.

 


Connected identity verbindt ons aan elkaar en aan onze omgeving.

 

Connected identity de opvolger van leefstijlen?

Wat is de aantrekkingskracht van een plek? Wat bindt mensen aan elkaar en aan een plek? Ik vroeg het me eerder af en ik heb het gevoel dat ik steeds dichter bij de waarheid kom.

De huidige (marketing)aanpak, daar geloof ik niet in. Wanneer gebieds- en/of vastgoedontwikkelaars spreken over ‘de klant’ of ‘de doelgroep’, hebben zij het over de statische kant van de mensen, zoals hun levensfase of afkomst. Ze hebben geen idee wie deze mensen verder zijn, laat staan wat hun behoeftes zijn. Dit kunnen zij ook niet zomaar weten. Maar deze onwetendheid is geen reden tot een focus op de statische kant. Dat is een ouderwetse aanpak. Ontwikkelaars kunnen geenszins invloed uitoefenen op de statische kant van de identiteit van mensen. Deze staat net zo vast als de keuzes die vanuit de statische kant gemaakt worden. Juist de dynamische kant van een identiteit is veranderlijk, divers en beïnvloedbaar. Een mens zoekt misschien wel een richting vanuit de statische kant van zijn of haar identiteit, maar de dynamische kant beslist de exacte plek.

Wanneer we de statische kant van een identiteit toch willen beïnvloeden, gaan we een langdurend traject in. Onze statische kant verandert namelijk vanuit onze dynamische kant en deze wordt gevormd door (de mensen in) onze omgeving. Hier heeft een ontwikkelaar geen grip op. Ontwikkelaars moeten zich aanpassen aan (de mensen in) de omgeving. Door mee te bewegen in de bestaande stroom zijn ontwikkelaars wel in staat (toekomstige) bewoners bij te sturen.

Statisch: leeftijd, levensfase, afkomst, cultuur, geslacht, etc.
Dynamisch: werk, hobby, subcultuur, sport, merkvoorkeur, etc.

Leefstijlen lijken in de buurt te komen van mijn marketinggedachte. Zij focussen zich ook voor een deel op de dynamische kant. Ik ben ook bij de leefstijlen begonnen en hoop dat Connected identity de opvolger wordt. Leefstijlen spreken nog steeds over ‘doelgroepen’. Ik spreek over ‘wat er leeft’ in een gebied en welke connecties daartussen zitten. Voor het vermarkten van een lap nieuwbouw kunt u mij ook niet vragen. Ik geloof niet in nieuwbouw. Wel in stadsuitbreiding, maar dan niet grootschalig in een verlaten polder. Niet mijn ding.

Een identiteit creëer je namelijk niet, deze vindt je. Bijvoorbeeld in een kroeg, een sportschool of in de bibliotheek. Ondernemers weten namelijk als geen ander waar zij moeten zijn voor hun doelgroep en zij passen zich aan wanneer hun omgeving verandert. Ik zoek daarom ondernemers en ontmoetingen. Ook de vrijdagmiddagbar van kantoor X via foursquare. Deze koppel ik bovendien aan kantoor Y die om een bar vraagt en zo ontstaat er ontmoeting tussen kantoor X en Y en kan de catering, of een externe horecaondernemer, verdienen aan de kantoorgebruikers.

Connected identity zorgt voor ontmoetingen.

Categorieen

Recent

Tags

@EmilieVlieger

  • @EmilieVlieger